Pianist Arthur Schnabel (69) na korte ziekte overleden
(Van onze muziekredacteur)
Schnabel, 17 April 1882 te Lipnik in Polen geboren, begon reeds op zijn zesde jaar piano te studeren bij Hans Schmitt, daarna tot 1897 bij Leschetitzki te Wenen. Hij was al spoedig een van de belangrijkste pianisten van zijn tijd, en bezat behalve een volledig meesterschap over zijn instrument de gave een bijzondere poëzie aan zijn spel te geven zonder de romantische toevoegsels te hulp te roepen welke omstreeks 1900 voor uitingen van individualiteit doorgingen.
Met name zijn vertolkingen van Beethoven, Schubert, Schumann en Mozart muntten uit door de nauwgezetheid waarmee hij de aanwijzingen van de componisten realiseerde. Samen met Carl Flesch verzorgde Schnabel een uitgave van Mozart's vioolsonates.
Ook als componist was hij werkzaam, en omstreeks 1919 gaf hij het pianospel volledig op om zich geheel te wijden aan scheppend werk. Zijn strijkkwartetten, solosonate voor viool, pianosonate ademen een zeer geavanceerde sfeer.
Na enige jaren keerde hij als pianist op het podium terug, en sindsdien hebben alle muziekcentra hem regelmatig zien verschijnen. Ook Amsterdam hoorde men hem herhaaldelijk optreden, en wie na de bevrijding het voorrecht had zijn spel weer te horen, zal sterke herinneringen bewaren aan de rijpheid, de dichterlijke en visionnaire macht welke Schnabel's vertolkingen kenmerkten.
Schnabel, die vroeger een belangrijke plaats innam in het Duitse muziekleven - hij was lange tijd hoogleraar aan de Berlijnse Hochschule - woonde reeds jaren in New York.
Met Schnabel is een persoonlijkheid heengegaan die de beste eigenschappen van het oude Europa in zich verenigde. Zij die hem kenden, zullen niet licht zijn bijzondere eruditie, markante humor en bijtende ironie vergeten die elk gesprek met hem tot een ware verkwikking maakten.
Woensdag 22 augustus 1951
Nico Krap (musicus) vond "muziek-noteermachine"
Apparaat registreert automatisch wat op piano wordt gespeeld Ballpoints verzorgen notenschrift
(Van onze muziekredacteur)
De heer Nico Krap is een man met mogelijkheden, zoals dat heet. Eigenlijk is hij musicus. "Pianist en organist in het amusementsbedrijf dan", zegt hij, "maar sinds eind Maart ben ik werkloos." Hij is echter méér dan musicus: met hartstocht heeft hij zich op het opwindende terrein der uitvindingen bewogen, en zijn belangrijkste resultaat is een machine, die op de piano geïmproviseerde vrijwel ogenblikkelijk in notenschrift vastlegt. Een "muziek-noteermachine" heeft hij het instrument voorlopig genoemd, en er is reeds octrooi op aangevraagd.
Een uitermate merkwaardig apparaat, dat - volgens de uitvinder - de gebreken opheft welke aan alle tot nu toe bestaande buitenlandse patenten op dit gebied kleefden.
De heer Krap heeft mij uitvoerig en aan de hand van bijzonder technische tekeningen over zijn vinding verteld. Het is een machine, die in haar geheel in de piano wordt opgehangen - en via een lange rubberrol (waarop een cliché met balkensystemen) - een nieuw ontworpen notenbalk-net-schrift stempelt.
"Dat gaat door middel van een hulpklavier, dat boven de pianotoetsen is aangebracht", verklaart hij. "De hulptoetsen corresponderen naar boven met ballpoints, die op verticale lijnen op het papier een nieuw soort notenschrift vastleggen. Een tussenschrift noem ik dit: het kan na registratie in normaal muziekschrift worden uitgewerkt.
Naar onderen zijn de hulptoetsen via houten balkjes met de pianotoetsen verbonden. Slaat men een hulptoets aan, dan wordt dus automatisch een pianotoets ingedrukt en hoort men de toon. Drukt men op een pianotoets, dan registreert de hulptoets natuurlijk niet. Op die manier is het bijvoorbeeld mogelijk de partij van één hand in schrift te stempelen, terwijl die van de andere hand niet wordt geregistreerd," zegt de heer Krap.
Ook tempo aangeven
De verticale lijnen van de notenbalk worden door horizontale lijnen in fragmenten verdeeld, die als teleenheden te beschouwen zijn. Zo een fragment vertegenwoordigd dus de waarde van een noot. Bij elke horizontale lijn geeft een klopper automatisch een tik, waardoor het tempo wordt aangegeven. Met een knie-pedaal ("knie-zwel"), onder het pianoklavier aangebracht, kan het tempo worden geregeld.
Het zou te ver voeren hier aan de constructie van dit ingenieuze apparaat aandacht te besteden. De heer Krap heeft trouwens een potlood in de hand genomen (in zijn linker!) en tekent al weer iets anders: zijn nieuwste vinding.
Het is een aanmerkelijke verbetering van het pijploze Hammond-orgel. Een bijzonder eenvoudige vondst, die ook commercieel grote voordelen biedt. "Ik denk", zegt hij, "dat dit nieuwe instrument acht keer zo goedkoop zal zijn als het Hammond-orgel; er is octrooi op aangevraagd.
Overigens is hij bezig een instrument te bouwen, dat het midden houdt tussen vleugel en clavecimbel.
Hij ziet met optimisme de toekomst tegemoet en wacht nu maar wat er in de practijk van zijn uitvindingen terecht zal komen. In die tijd zal deze Amsterdammer wellicht nog een stuk of wat nieuwe vondsten doen. Misschien vervaardigt hij bovendien wel enige schilderijen. "Want ik schilder ook, zowel met mijn rechter als mijn linker hand," zegt hij.
Vrijdag 24 augustus 1951
KEES KOOPER
met beurs voor viool naar Amerika
(Van onze muziekredacteur)
Met de Nieuw-Amsterdam is vanmiddag de jeugdige Nederlandse violist Kees Kooper naar Amerika vertrokken, waar hij gedurende één jaar aan een universiteit gaat studeren en ook concerten geven.
"Ik heb een studiebeurs gekregen", vertelde hij mij de avond vóór zijn vertrek, "een beurs van de North Western University te Evanston, vlak bij Chicago. Daar ga ik dan aan de School of Music studeren. Vioolspel blijft natuurlijk mijn hoofdvak. Vast staat reeds dat ik er op 14 October een concert geef, en kort daarna ook in Chicago optreed.
Hoe ik die beurs kreeg? Niet van de Nederlandse of Amerikaanse regering, maar langs particuliere weg. Vorig seizoen, toen ik nog in Parijs bij Benedetti studeerde, informeerde ik eens bij de American University Union naar de mogelijkheden om in de V.S. een college te bezoeken.
Er bleken 36.000 fondsen te zijn die beurzen verschaften, de meeste uiteraard alleen aan Amerikanen. Dertig van die instanties heb ik om inlichtingen geschreven, en van haar ontving ik een ware bibliotheek aan informaties. Bij twee er van heb ik een beurs aangevraagd, en één verzoek was raak. Dat was Evanston.
Voorwaarde was dat ik het peil van de hoogste cursus had bereikt. Men heeft dat moeten beoordelen aan de hand van gramofoonplaten en referenties. Mijn studie heb ik er vrij, en voor onderhoud en verblijf wordt door particulieren gezorgd. De reis maak ik met steun van onze regering en het Nederlands Impresariaat."
Kees Kooper heeft overigens ook de kans gehad in het nieuwe seizoen te Parijs te studeren: want het Institut Français verleende hem nog onlangs een studiebeurs. Daarvan kon hij dus geen gebruik maken.
Zaterdag 25 augustus 1951
ONZE AMUSEMENTSMUZIEK OP DE WERELDMARKT
Goede resultaten van de export
(Van onze muziekredacteur)
ER is in deze kolommen al eens gewezen op het feit dat verreweg de meeste teksten van amusementsliedjes zo bijzonder weinig geslaagd zijn. Ook in vakkringen deelt men die mening, en de vakvereniging W.T.L. (Woord- en Toondichters Lichte muziek) ziet zelf wel in dat veel voor verbetering vatbaar is.
De W.T.L. meent dat er enige omstandigheden zijn welke dat lage peil kunnen verklaren. Men heeft bijvoorbeeld jarenlang een strijd moeten voeren het Nederlandse repertoire alleen al uitgevoerd te krijgen. Want ook hier geldt dat de buitenlandse productie de voorkeur geniet. Die strijd was zo intensief en hardnekkig, dat men nauwelijks nog oog had voor de inzet ervan, althans voor de kwaliteit.
Thans, nu men zover is dat de Nederlandse vermaakproductie, vooral in de radio, aan bod komt, is een nieuwe strijd begonnen: men wil de kwaliteit van het product verbeteren.
Dat zal lang niet gemakkelijk gaan, want de radio - dat enorm invloedrijke communicatiemiddel - blijft vaak, naar de mening van vele experts uit de kringen der W.T.L., het banale, gemakzuchtige, benedenmaatse repertoire verkiezen boven de vermaakskunst met meer pretenties en allure.
Maar in elk geval is de strijd aangebonden, en bijzonder belangrijk in dit verband is dat men de Nederlandse amusementsindustrie een plaatsje op de wereldmarkt wil doen veroveren.
De resultaten beginnen zich reeds af te tekenen, en een gebeurtenis van belang was het onlangs verschenen exportnummer "Dutch popular music" van de stichting "Onze lichte muziek", die tot doel heeft de Nederlandse vermaakskunst te propageren.
Moeilijkheden
Het is een uitermate aantrekkelijke publicatie geworden die in een enkel artikel op de moeilijkheden wijst, verbonden aan de export van onze liedjes.
Daar is in de eerste plaats het feit dat de wereldmarkt al zo overladen is dat Nederland er nauwelijks aan te pas zou komen. Amerika alléén produceert per maand ongeveer duizend nieuwe nummers.
De Nederlandse taal is bovendien een handicap die ook economische een rol speelt. Want het buitenland kan slechts de helft van het product, de melodie, overnemen, moet dus een nieuwe tekst, in een andere taal, laten maken. Dat betekent dat de buitenlandse tekstdichter slechts de helft aan auteursrechten ontvangt voor zijn vertaling. De andere helft krijgt de Nederlandse schrijver van het origineel.
Dit maakt het moeilijk in het buitenland tekstdichters te interesseren voor Nederlandse nummers.
Toch, ondanks dit alles, zijn er gunstige resultaten geboekt, en ook daarvan geeft het exportnummer van "Onze lichte muziek" een duidelijk beeld.
De export van een zestigtal nummers is aan een analyse onderworpen: een leerzame lectuur die de lezer optimistisch stemt. Er zijn liedjes bij die naar 14, 15 en zelfs 16 landen werden geëxporteerd; men treft hierbij alle Europese landen aan, maar ook Canada, de Verenigde Staten en zelfs de Sowjet-Unie.
Nu men op weg is de Nederlandse vermaaksmuziek internationaal naam te verschaffen, mag men vertrouwen dat ook de teksten een internationaal niveau zullen bereiken. Misschien dat dan de tekstdichters die méér willen en kunnen dan alleen maar een ongelukkig rijmpje in elkaar flansen, aan hun trekken zullen komen.
Dat dan nog goede beïnvloeding van de publieke smaak door middel van de radio een vereiste is, hoeft geen betoog. Slechts op die wijze zal de strijd om de goede vermaakskunst gewonnen kunnen worden. En zo ook zullen de banaliteiten welke nu nog hoogtij vieren, kunnen verdwijnen. Maar zover is het voorlopig nog niet.
Donderdag 30 augustus 1951
Holland Festival 1952
(zonder A'damse subsidie) dupe van bezuiniging
(Van onze muziekredacteur)
Dat op de gisteren gepubliceerde begroting 1952 van de gemeente Amsterdam de f 70.000 subsidie aan het Holland Festival niet meer voorkomt, houdt geen discriminatie van het festival in. Dit bleek ons bij navraag ten stadhuize. Het inhouden van deze tot nu toe verleende financiële steun is louter en alleen een gevolg van bezuinigingen.
Dat men moest bezuinigen, ook op de bedragen van de kunstafdeling, stond bij voorbaat vast. De gemeentelijke overheid achtte het vóór alles gewenst het normale Amsterdamse kunstleven in stand te houden, en liet de subsidies aan de onderscheidene gezelschappen, orkesten, enz, onaangetast.
De extra manifestatie die het Holland Festival, vooral voor de buitenlanders, moet zijn, kon dan ook eerder in aanmerking komen voor intrekking van subsidie dan de bestaande ensembles van kunstenaars, meent de gemeentelijke overheid.
Mr. H. J. Reinink, de voorzitter van het Holland Festival deelde onze Haagse redactie desgevraagd mede, dat het wegvallen van de Amsterdamse subsidie grote moeilijkheden oplevert. Het bestuur zal zich ernstig moeten beraden, of voortzetting in 1952 onder deze omstandigheden mogelijk is. Ook dient men af te wachten wat de houding zal zijn van de andere deelnemers, zoals het rijk, nu een van hen zich terugtrekt.
Ingezetenen van de gemeenten Broek in Waterland, Ilpendam, Landsmeer en Oostzaan kunnen legitimatiebewijzen krijgen, waardoor zij bij de overvaart met de IJ-ponden voor hun voertuig slechts vijftig cent per vaart per voertuig hebben te betalen.4